‘Het eiland test of je hier mag blijven’
‘King Kong’-eiland Santo Antão is het meest westelijke stukje land van Afrika. We tikten op ‘Afbeeldingen’ en vielen van onze stoel van zoveel schoonheid. ‘Geen dak? Niet zeuren.’
Je kunt er alleen over water komen, op King Kong-eiland. Het eiland heeft geen vliegveld. Te winderig, te bergachtig, te weinig vlakke grond. Enkele keren per dag vertrekt vanuit de haven van Mindelo een veerboot naar Santo Antão. In een uur snijdt de ferry van de koloniale cultuur van São Vicente naar de bergwereld van Santo Antão. Havenstadje Porto Novo, met zijn achtergrond van bergpieken, ademt een desolate grandeur. “Waar is de grote aap?” zegt een medepassagier. We snappen ’m. De kliffen en de drakentoppen vormen een filmisch decor voor een stevig avontuur. Op de kade biedt een leger van chauffeurs zijn diensten aan. Hun aluguers, gedeelde lokale minibusjes of pick-ups, zijn goedkoop, dus moeten vol. Dan pas vertrekken ze. Het wordt een hete, bochtige rit over geplaveide haarspeldbochten, zigzaggend over de Porto Novo-Ribeira Grande Road. 38,4 kilometer hoog en steil, regelmatig verheffen we ons bóven de nevel. Porto Novo wordt een stipje.



Foto: Harri Theirlynck
Eisen: warm en non-stop
Hoe kwamen we op Santo Antão? Drie maanden geleden hadden we nog nooit van het eiland gehoord. Het was januari en we snakten naar een omhelzende voorjaarwarmte. Onze eisen: een eiland met superieure wandelmogelijkheden; niet ver vliegen; rechtstreeks vliegen. Curaçao, Bali of Thailand vielen dus af. Eén eilandje sprong eruit: Santo Antão. Het meest westelijke stukje land van Afrika, een onbetwiste buitenpost. We tikten op Google ‘Afbeeldingen’ en vielen van onze stoel van zoveel tintelend groene schoonheid. Dat werd vast eilandhoppen op lekkende scheepjes en onregelmatige propellervliegtuigen.
Grote verrassing: vanaf Schiphol vlieg je in 6,5 uur non-stop naar eiland São Vicente. Vroeg op, dan land je rond de middag in hoofdstad Mindelo, vandaar is het een uur varen naar Santo Antão. Mindelo is de geboorteplaats van Cesária Évora (1941–2011), ‘de diva op blote voeten’. In menig Mindelose bar worden haar liedjes nog altijd uit volle borst gezongen. Dat wilden we ook weleens meemaken. São Vicente en Santo Antão, leek ons een mooie combi. Ik prikte mijn passerpunt op Schiphol en trok een halve cirkel van hooguit 6,5 uur vliegen, richting warmte. De Canarische Eilanden streepten we weg. Mooi, maar maart kan hier wreed zijn. Twee uur verder doemde Kaapverdië op. Tien vulkanische eilanden, verscholen in de Atlantische Oceaan. Sommige mooi en mysterieus. Eén keer eerder geweest, op vakantie-eiland Sal. Toen we nog surften, zonden en cocktails slempten in all-in resorts.


Foto: Harri Theirlynck
‘Is dat het nou?’
Mindelo klinkt als Almelo, een beetje Nederlands. Het noemt zich ‘de culturele hoofdstad van Kaapverdië’, maar daar merken we de eerste dagen niks van. De stad lijkt op een vergeten provinciestad. De koloniale gevels snurken onder de vochtplekken, honden liggen midden op de weg, alsof ze nooit worden gestoord. De eerste reactie van veel reizigers: is dit het nou? Mindelo flirt niet met toeristen. Pas na een paar dagen begin je het eiland een
beetje te ontdekken. Muziekcafés hebben geen uithangbord en gaan pas laat open, zoals ‘vinylbar’ Bombu Mininu in Rua Sao Joao. Sublieme pizzeria zijn soms ondergronds (Bella Napoli, een belevenis), je moet het even weten. Achter de afbrokkelende gevels – met ‘dank’ aan de Engelse en Portugese overheersing – huizen kunstgalerijen, barretjes & restaurants. Op pleinen verschijnen gitaren uit het niets.
Je ontdekt grogue: krachtige, lokaal gestookte suikerrietrum, ambachtelijk geproduceerd in de valleien van Santo Antão en geschonken in de bars van Mindelo. De eerste slok slaat in als lava. De barkeeper zegt: “Het eiland test of je sterk genoeg bent om hier te mogen blijven.” Op de derde dag begroeten we elke voorbijganger met een vrolijk “Bondia”, goedemorgen in Kriolu. De taal op Kaapverdië is Portugees en Creools, ook wel Kriola – of Crioulo – genoemd. Engels is geen probleem.
‘Um café, por favor’ leidt snel tot een espresso. Heel er Kriolu is: ‘Um cafezin’, een klein koffietje. We bekeren ons tot de nationale keuken en lunchen elke dag bij Pastelaria Morabeza, aan de drukke Avenue Baltazar Lopes da Silva. Favoriete gerecht: ‘cachupa kriola’. Een langzaam gegaarde stoofpot van maïs, cassave, kikkererwten, vlees of vis. En al die tijd galmen de liedjes van Cesária Évora uit elk raam. Het is morna-muziek, liedjes getruffeerd met verlies, gemis, liefde en weemoed. De coladeira, een zusje van de morna, is vrolijker en sneller. ’s avonds zie je buiten stelletjes swingen op de opzwepende klanken. ’s Nachts heerst de jazz in Mindelo. In de snel vollopende Jazzy Bird Bar Pub verschuift het koper als vloeibaar goud naar de stoep voor de club. Je zou om minder je ouwe trouwe roomkleurige linnen trouwpak weer van stal te halen, zo voelt het. Toch vertelt iedereen je dezelfde waarheid: het mooiste van São Vicente is de ferry naar groen sprookjeseiland Santo Antão.
Ons huisje, pront op een bergje
Het product van Santo Antão is wandelen. Niet zonnen en zeker niet luieren op rijen strandbedjes, zoals op eiland Sal. Vanuit Ribeira Grande kun je per aluguer of taxi (eerst prijs afspreken, meters kennen ze niet) naar de wandelparadijs Paúl Valley. De weg slingert snel omhoog. We passeren bananenplantages en suikerrietvelden, in diepe valleien (ribeiras) wordt kleinschalig koffie verbouwd. En het wordt koeler. Dode struikjes en acaciabomen maken plaats voor loofbomen en naaldbomen. Na een half uur stoppen we bij Oia Paúl. Ons huisje, pront op een bergje. Het mooiste: een groot buitenterras, vanwaar we op een gigantisch natuur-amfitheater kijken. Alsof iemand stukken Hawaï en Madeira in een blender heeft gegooid. Houten huisjes, samengesteld van klei, hout en gedroogde palmbladeren, lijken vastgenageld aan de berghellingen, in een eindeloze repetitie van terrassen en bergruggen. De lef en vindingrijkheid van de lokale boeren zijn groot. Elke vierkante meter grond, schuin of recht, naast of op
elkaar, wordt benut voor het verbouwen van bonen, tomaten, sinaasappels, chilipepers, maïs, papaja, zoete aardappelen of koffie.
We eten ’s avonds lokaal bij Ady & Juju. Ady is de ober. Juju de kokkin. Ady charmant en joviaal, Juju schattig en verlegen. Vlees en gegrilde vis volop, vegetarisch is geen probleem. Verse mango smoothie toe. Spaghetti bolognese wordt voor je neus bereid. Maar wacht, lekt het dak? Haha, er is geen dak, we zitten onder de blote hemel. Het miezert en het wordt kil. Regenjasje halen. Niet zeuren. Overdag is het gemiddeld 25 graden en zonnig.



Foto: Harri Theirlynck
Alles is petieterig
Santo Antão is vrij van massatoerisme. Je slaapt hier vooral in kleine pensions en lodges waar ze graag het woord ‘eco’ tegenaan plakken. Het eiland kent meer dan 300 km aan gemarkeerde wandelpaden, verspreid over het eiland. Een taxi zet ons op af bij Mirador de Paúl, voor een weids overzicht van de vulkaankrater. Een wereld vol vette vruchtbaarheid drijft in de nevel. Talloze wandelingen door de Paúl-vallei beginnen bij ons om de hoek. Tientallen bergdorpen zijn al eeuwen via voetpaden met elkaar verbonden. Je loopt langs schuurtjes met daken van riet, ezels en opgehokte zwijnen, kleine boeren en boerinnen, altijd in de weer op kleine veldjes met koffiebonen, papaja, bananen, suikerriet of avocado. Het wandelpad deel je met oma’s op kleurige sloffen of mannen met machetes, sjorrend aan volgeladen ezels. De dorpjes, de veldjes, alles petieterig. Ook de mensen: stevige, hardwerkende bergmensen, die leven in kleine boerengemeenschappen. Routes genoeg, van 2,5 uur tot een dag. Eeuwig verrassend. Wring je langs coulissen van rietpluimen en snuif pergola’s vol jasmijn. De bocht daarna schenkt weer een nieuw vergezicht. “Hou nou eens op”, zegt mijn reisgenoot. “Dit kan toch niet nóg mooier worden?” Verdwalen kan niet. De routes staan goed aangegeven, vragen helpt ook.
Aan de oever van een rivier benen vijf mannen een zwijn uit. Tijdens onze middaglunch, in een onafgebouwde betonkubus, sjouwt een man een druipend stuk zwijn naar achteren. De kok wijst trots naar de boontjes op ons bordje. “Die komen van mijn land.” Hij knikt naar een hellend mini-terrasje aan de overkant. Elke reepje grond wordt gekoesterd als een kostbare erfenis, de oogst wordt vaak gedeeld.
Die avond staat bij Ady & Juju varken op het menu. En ook bij restaurant Panoramaicia, waar we de volgende avond dineren. Varken. De Catch of the Day. De helft van de onderkomens in de vallei hebben het woord ‘eco’- in de naam. “Een ecolodge is een fatsoenlijk onderkomen met een wc die niet goed doorloopt”, constateert mijn reisgenoot. Klopt. Soms is er geen waterdruk, en warm douchen kan kort duren. “De gasten vinden het juist leuk dat het zo primitief is,’ zegt een hotelhouder.” Ja en neen. Veel reizigers denken precies zoals wij: duurzaam is leuk, maar een werkende wc en warme douche is best lekker.
Op Santo Antão komt het water vaak uit bergbronnen. Elektriciteit is afhankelijk van kleine, kwetsbare zonnecellen. De boilers zijn klein. Wil je authentiek en geen massatoerisme, accepteer dan wat erbij hoort. Er staan een verpletterende natuur en veel lieve mensen tegenover. Onze verhuurder rijdt, als hij hoort dat we het ’s nachts koud hebben, twee keer heen en weer met militaire slaapzakken en een (niet goed werkend) blaaskacheltje.


Foto: Harri Theirlynck
Stalen kuiten
Van de Paúl Valley rijden we via Ribeira Grande naar – jawel – Ecolodge Kasa D’igreja Hospedagem. 40 km, anderhalf uur westwaarts. De bergen hier zijn anders, ze lijken op omgekeerde damesvoetjes. Op de randen ervan plakken kleine stukjes landbouwgrond, soms niet groter dan een tafelkleed. Daar groeien bonen, papaja, wat maïs. Hoe ze het voor elkaar krijgen blijft een raadsel. Stalen kuiten moeten ze hebben. Af en toe ligt er een klein plateau. Met één huis. Soms twee. Alles oogt poppenhuisachtig: kleine velden, kleine paadjes, kabouterdorpjes. Maar de ravijnen eromheen zijn enorm. In dorpje Chā d’ Igreja dalen we een ravijn in, dat in een ander ravijn doorloopt en vervolgens weer uitkomt in een derde ravijn.
Het landschap vouwt zich eindeloos uit, eindigend in de Atlantische Oceaan. Extreme armoede zien we niet op Santo Antão. Wel veel mensen met kleine inkomens. En eco-restaurantjes. Je krijgt er een hoop voor terug. De supereenvoudige Bar pedra balea in Cruzinha ligt pal boven een vissershaventje, niet meer dan een inham. We reserveren ’s middags voor een verse-vismaaltijd om half acht. Het stortregent die avond en we overwegen thuis te blijven, maar gaan toch. Gelukkig. Kok en serveerster komen speciaal voor ons, we zijn de enige gasten. De vismaaltijd is belachelijk goed en belachelijk goedkoop. We schamen ons een beetje. De serveerster regelt een neef met een taxibusje, zodat we de 1,6 km naar
ons huisje vooral niet nat worden. Hoe authentiek kun je het hebben?



Foto: Harri Theirlynck
Cabo Verde: De groene kaap
De toevoeging ‘Kriola’, ‘Criola’ of ‘Creole’ kom je vaak tegen op de Kaapverdische Eilanden. Kaapverdië was onbewoond totdat vanaf de 15de eeuw een creoolse mengcultuur ontstond: een mix van Afrikaanse en Portugese invloeden die taal, eten, kleding, muziek, dans en mentaliteit raken. Kaapverdië (Cabo Verde) kreeg zijn naam vanwege zijn ligging ten opzichte van schiereiland ‘de groene kaap’ in Senegal, het dichtstbijzijnde vasteland.


Foto: Harri Theirlynck
Tekst: Harri Theirlynck
Beeld: Harri Theirlynck en Unsplash
Onder Redactie TripTalk vind je algemene berichten en berichten met nieuwswaarde die wij leuk vinden om te vermelden of jullie daarover te informeren.

