Foto: Shutterstock

Zanzibar is precies zo mooi als je hoopt én veel interessanter dan je denkt

De eerste ochtend op Zanzibar word ik wakker van regen. Niet van een Hollands buitje, maar van een tropische stortbui die met zoveel overtuiging uit de lucht valt dat het even voelt alsof de wereld achter een watergordijn is verdwenen. Een paar minuten eerder lag de Indische Oceaan er nog bij in alle tinten blauw die reisbrochures graag gebruiken, nu verdwijnen de palmbomen bijna uit zicht.

Nog voordat ik me er serieus zorgen over kan maken, gebeurt wat op Zanzibar blijkbaar vaker gebeurt: de lucht trekt open alsof iemand een gordijn openschuift. De zon verschijnt weer, vogels beginnen opnieuw lawaai te maken en de bladeren van de bananenplanten glanzen in het licht. Het eiland ruikt ineens naar natte aarde, zout en iets kruidigs dat ik niet direct thuis kan brengen. Later leer ik dat het kruidnagel is.

Ik bezoek Zanzibar vlak na het regenseizoen en eerlijk gezegd blijkt dat misschien wel het best bewaarde geheim van het eiland. Natuurlijk, er valt af en toe een flinke bui. Maar dan krijg je iets voor terug: een landschap dat op zijn groenst is, bloemen die overal lijken te bloeien en een eiland dat nog niet volledig in greep is van het hoogseizoen.

Foto: Irene de Bruijne

Meer dan turquoise water en witte stranden

Laten we beginnen met het goede nieuws: Zanzibar is inderdaad precies zo tropisch als je hoopt. De zee heeft werkelijk die onwaarschijnlijke turquoise kleur die normaal gesproken alleen voorkomt op overbewerkte ansichtkaarten. Het zand is poederwit en zo fijn dat slippers bijna overbodig worden. Palmbomen bewegen zachtjes in de wind alsof ze weten dat ze voortdurend gefotografeerd worden.

Maar wie denkt dat Zanzibar vooral een strandbestemming is, doet het eiland tekort. Want achter die perfecte kustlijn schuilt een geschiedenis voor handelaren, specerijen, sultans en zeelieden. Arabische, Afrikaanse en Indiase invloeden lopen hier moeiteloos door elkaar heen en juist dat maakt Zanzibar interessanter dan veel andere tropische bestemmingen. Het eiland heeft lagen. En die ontdek je meestal zodra je het strand even achter je laat.

Foto: Irene de Bruijne

Pole Pole

Er is nog iets dat op Zanzibar overal aanwezig lijkt te zijn, maar zich lastig laat vertalen naar een reisgids of praktische tip: het tempo van het eiland. Pole, pole zeggen mensen hier regelmatig. Langzaam, langzaam. Geen haast. Geen reden om je druk te maken als iets een kwartiertje later begint dat gepland of als een bestelling wat langer op zich laat wachten. En natuurlijk valt ook meerdere keren per dag de onvermijdelijke hakuna matata.

Maar het is dan ook echt toepasselijk voor de sfeer hier. Mensen maken gemakkelijk een praatje, kinderen zwaaien enthousiast langs de weg en vrijwel iedere bezoeker maakt vroeg of laat kennis met de lokale liefde voor Jambo Bwana, het nummer dat wij vooral kennen van Boney M. Nog voor de eerste dagen voorbij zijn, hoor je jezelf zachtjes meezingen met ”jambo, jambo bwana, habari gani?”, of je daar nu op had gerekend of niet.

Op veel stranden loopt bovendien een vrijwel onzichtbare grens tussen de resorts en het openbare strand. Tot aan die lijn blijven de verkopers op gepaste afstand van de ligbedden en de rust van de hotels. Zodra je die grens oversteekt richting zee of een wandeling maakt langs de kust, verandert dat vanzelf. Dan wordt er gevraagd of je misschien een kokosnoot wilt kopen, interesse hebt in een boottocht of een kijkje wilt nemen bij handgemaakte sieraden of schilderijen.

Op papier klinkt dat misschien vermoeiender dan het in werkelijkheid is. Want hoewel er zeker iets wordt aangeboden, voelt het zelden opdringerig of onveilig. Vaker ontstaan er korte gesprekken over waar je vandaan komt, hoe lang je blijft of wat je van Zanzibar vindt. Het hoort bij het ritme van het strand, net zoals de getijden en de vissersboten dat doen. En misschien is dat uiteindelijk ook wel de charme van Zanzibar: zelfs het toerisme voelt hier nog verrassend menselijk.

Foto: Shutterstock

De zee bepaalt hier de dag

Een van de eerste dingen die opvalt wanneer je aan de oostkust verblijft, is dat de oceaan hier haar eigen regels hanteert. Tijdens eb trekt het water zich soms honderden meters terug. Wat eerder nog een helderblauwe lagune was, verandert langzaam in een landschap van zandbanken, zeegras en kleine poeltjes waarin vissen en zeesterren achterblijven.

Op sommige plekken kun je letterlijk de zee in lopen. En blijven lopen. En nog verder lopen. Tot je je bijna afvraagt waar die oceaan eigenlijk gebleven is. Het is een van de redenen waarom het slim is om op Zanzibar altijd even de getijden te bekijken voordat je een stranddag plant. Waar je ’s ochtends misschien nog zwemt voor je ontbijt, ligt het water rond lunchtijd ineens verrassend ver weg. Hoe ver de zee zich terugtrekt hangt ook af van waar op het eiland je bent – en dat is dus belangrijk om rekening mee te houden als je een hotel kiest. Aan de oostkant in het zuiden is het het ergst. Hoe meer je naar het noorden reist, richting Nungwi, hoe minder last je hebt.

Tegelijkertijd is juist dat ritme onderdeel van het eiland. Vrouwen verzamelen zeewier op drooggevallen zeebodem, vissers trekken hun boten richting dieper water en kinderen spelen op plekken die een paar uur later weer volledig onder water staan.

Nungwi: een ander Zanzibar

Wanneer we Nungwi bezoeken, voelt het alsof we op een ander eiland zijn aangekomen. De stranden zijn nog steeds wit, de zee nog steeds belachelijk blauw, maar het tempo ligt hoger. Er zijn meer hotels, restaurants, excursieboten en toeristen. Tegelijkertijd is het dorp zelf nog altijd duidelijk aanwezig.

Dat is misschien waarom Nungwi interessant is. Je ziet er hoe twee werelden op dezelfde vierkante kilometer naast elkaar bestaan. Aan het strand liggen luxe resorts en worden boottochten aangeboden; iets verderop draait het dagelijks leven om visserij en lokale handel.

Nungwi is bovendien een handige plek voor wie veel op of in het water wil doen. De noordelijke ligging maakt het strand minder afhankelijk van het enorme getijdenverschil van de oostkust.

Voor ons is het vooral een mooie tegenhanger van Michamvi. De oostkust voelt ruimer en rustiger. Nungwi voelt als Zanzibar op volle toeren.

Foto: Irene de Bruijne

Stone Town verdient meer dan een middag

Maar er is meer dan alleen stranden. Van te voren werd ons voorzichtig gewaarschuwd voor Stone Town. Het zou er grimmig kunnen zijn en je moest je vooral gepast kleden. En ja, dat blijkt waar. Want voor het eerst merk je hier iets van de Arabische cultuur en na zonsondergang is alleen het marktplein bij het water nog levendig, maar toch mag je een bezoek aan Stone Town zeker niet overslaan.

Tijdens een excursie lopen we met een gids door een wirwar van steegjes waar scooters, fietsers, spelende kinderen en katten elkaar moeiteloos lijken te ontwijken. Boven onze hoofden hangt wasgoed tussen de gebouwen gespannen en achter zware houten deuren gaan binnenplaatsen schuil die je vanaf de straat nooit zou vermoeden.

Onze gids vertelt over de Arabische handelaren die zich hier vestigden, over de sultans van Oman en over de specerijenhandel die Zanzibar eeuwenlang rijk maakte. Het verleden voelt hier opvallend dichtbij.

Misschien komt dat door de architectuur, waarin Arabische balkons, Indiase invloeden en Afrikaanse details samenkomen. Misschien door de beroemde houten deuren die ooit het visitekaartje van rijke handelaren waren. Door het, weliswaar overhypte, of misschien door het feit dat Stone Town nog altijd voelt als een stad waar daadwerkelijk wordt geleefd in plaats van een openluchtmuseum voor toeristen.

Bij Zanzibar Spice Co. in Kisongoni bestaat de spice tour uit een wandeling door een kruidentuin met een lokale gids, waarbij je verschillende specerijen en tropische vruchten leert herkennen, ruiken en proeven.

Kaneel blijkt niet uit een potje te komen maar uit schors. Nootmuskaat groeit in een vrucht die eruit ziet alsof iemand hem heeft ontworpen voor een stilleven uit de Gouden Eeuw. En kruidnagel blijkt verrassend mooi voordat hij gedroogd en vermalen wordt.

Ineens ruikt de tropische regen aan het begin van de reis niet meer alleen naar natte aarde. Je herkent de kruidnagel.

Foto: Shutterstock

Het eiland achter de ansichtkaart

Misschien is dat uiteindelijk wat Zanzibar zo bijzonder maakt. Het eiland geeft je precies wat je ervan verwacht. De stranden zijn echt zo wit. De zee is echt zo blauw. De zonsondergangen doen inderdaad hun uiterste best om dramatisch te zijn. Maar ondertussen krijg je ook iets anders. Een kustlijn die twee keer per dag van vorm verandert. Een stad waarin eeuwen wereldgeschiedenis samenkomen. Een eiland dat ruikt naar specerijen en natte aarde na een tropische regenbui. Ik kwam naar Zanzibar voor het beeld dat iedereen kent. Ik vertrok met het gevoel dat juist alles daarachter het interessantst was.

Tekst: Irene de Bruijne
Beeld: Irene de Bruijne, Unsplash & Shutterstock

Deel dit blog ↓

Gerelateerde reisblogs

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar boven