Sint Maarten

48 uur op Sint Maarten

Wie op Princess Juliana International aankomt, scheert laag over Maho Beach. Zó laag dat de mensen op het strand zich instinctief bukken en je het gevoel krijgt dat je het landingsgestel kunt aanraken. Welkom op Sint Maarten. Of beter gezegd: op de helft ervan, want dát is hier de kwestie.

Het eiland wordt gedeeld door twee landen. Sinds het Verdrag van Concordia in 1648 is de Noordkant Frans en de Zuidkant Nederlands. De legende wil dat de scheiding ontstond doordat een Fransman en een Nederlander rug aan rug langs de kust gingen lopen, ieder een kant op, tot ze elkaar weer aan de overzijde weer tegenkwamen. De Fransen sleepten het grootste stuk in de wacht, wat vermoedelijk te maken had met het feit dat de Nederlander zich onderweg te goed deed aan drank en vrouwen. Ik heb 48 uur om uit te zoeken of dat verschil tussen beide kanten vandaag de dag nog iets betekent, of dat het vooral een kwestie is van welke taal er op je bonnetje staat.

Foto: Kees Bikker

Amerika met palmbomen

Mijn eerste nacht breng ik door aan de Nederlandse kant, in het Sonesta Resort: groot, comfortabel en bovenal luidruchtig, van het soort dat geen twijfel laat bestaan over de culturele oriëntatie van deze helft van het eiland. Vanaf het terras kijk ik recht op de baai waar de vliegtuigen binnenkomen, en in de loop van de dag betrap ik mezelf erop dat ik, net als iedereen, even opkijk telkens als er weer een toestel over de palmen zakt. Het Nederlandse deel is zeer Amerikaans georiënteerd. Men rekent in dollars, rijdt in te grote auto’s, en de casino’s, fastfoodketens en outletwinkels geven je het gevoel dat je in een buiten wijk van Miami bent beland. En wie denkt met Nederlands terecht te kunnen, komt bedrogen uit. Dat alles zorgt voor een schaamteloze energie aan deze kant van het eiland.

Rum als educatie

Maar het kan ook anders. Het mooiste tegendeel wordt bewezen bij Topper’s distilleerderij waar ik relatief vroeg op de dag binnenloop. Binnen wacht een rij verleidende rumflessen met spannende smaken als coconut, mocha, Caribbean white en spiced. Een gids met een fles in de hand legt uit hoe de rum hier met de hand wordt gemaakt, terwijl achter haar de vaten staan, beschilderd met de handtekeningen van wie hier voor mij langskwam. Het is een degustatie, en degustaties hebben de prettige eigenschap dat ze vroeg op de dag al volkomen verdedigbaar zijn. Puur educatief, houd ik mezelf voor terwijl het glaasje zijn werk doet.

Foto: Kees Bikker

Kanonnen en een rechtbank

Voor de geschiedenis klim ik naar Fort Amsterdam, dat de Nederlanders hier al in 1631 neerzetten. Het is het oudste Nederlandse bouwwerk van het eiland, lang voordat er een verdrag was om over te ruziën. Roestige kanonnen wijzen nog altijd plichtsgetrouw naar de vijand. Maar die komt niet meer. En eronder strekt zich Great Bay uit in een blauw waar geen ansichtkaart tegenop kan. De laatste keer dat het eiland van eigenaar wisselde, in 2010, ging zonder kanon: toen werd het Nederlandse deel een zelfstandig land binnen het Koninkrijk, met handtekeningen en vergaderingen, zoals een beschaafd land betaamt.

Beneden ligt Philipsburg, de relaxte, kleine hoofdstad van de Nederlandse kant. Overdag is het er druk — heel druk, want de cruiseschepen liggen aan
de overkant van de baai en spuwen dagelijks duizenden passagiers uit over de Voorstraat, waar verkopers je toeroepen dat je nergens goedkoper een Omega-horloge of een maatpak van Armani scoort. Maar zodra de zon zakt, ratelen de rolluiken naar beneden en blijft er een rafelig, slaperig stadje over bestaande uit houten huisjes in geel, oker en zachtroze. In het hart staat het wit-groene Courthouse, met een ananas op de toren. Het doet dienst als rechtbank.

De grens die geen grens is

Op dag twee steek ik over naar de Franse kant, en wie nu een slagboom of op zijn minst een stempel verwacht, komt bedrogen uit. De grens bestaat uit een bordje langs de weg — Bienvenue en partie française — en een witte obelisk uit 1648. Verder rij je gewoon door. Geen controle, niemand die je paspoort wil zien. Toch verandert er iets zodra je de grens gepasseerd bent, en het is niet alleen de taal op de bordjes. De begroeiing lijkt voller, de bebouwing een tikje meer verzorgd, de stoepranden net iets rechter. ‘Ons’ deel is volledig veramerikaniseerd; de Franse kant ligt er smaakvoller bij.

Foto: Kees Bikker

Een wandeling met cactussen

De Franse kant nodigt uit tot bewegen. Bij Anse Marcel begin ik aan een wandeling door een stuk jungle, in de verwachting aan de andere kant een strandje te vinden. Het pad is smal, de begroeiing dicht, en tussen het groen prikken manshoge cactussen omhoog die het op mijn kuiten gemunt lijken te hebben. Het is warm werk, en op meer dan één moment vraag ik me af of ik niet beter een ligbed had kunnen reserveren op Orient
Beach. Maar dat is voor later. Net op dat moment opent het bos zich. Beneden ligt Plage de Petites Cayes: een halvemaanvormig strand, turquoise water, geen ligbed, geen barkruk, geen mens. Toch geen gekke beloning, noteer ik. Dit is het soort plek dat je op de Nederlandse kant niet meer vindt, eenvoudigweg omdat daar al lang iemand een parasol en een prijslijst zou hebben neergezet.

Slapen aan Orient Beach

Mijn tweede onderkomen ligt bij Orient Bay: een complex in warm terracotta-rood, met een zwembad, kleurige ligbedden en die Franse nonchalance die je laat geloven dat je hier nog wel een week kunt blijven hangen. Het ontbijt is een stilzwijgende bevestiging van mijn grenstheorie: vers stokbrood, kaas, kleine potjes confiture, jus d’orange in een glas. Totaal het tegenovergestelde van de vreetschuren van de Amerikaanse resorts waar mensen met halfvolle bordjes elkaar verdringen voor de buffetten. Bij het zwembad ligt een leguaan dat de ligbedden duidelijk als zijn rechtmatig bezit beschouwt. In mijn hotel zijn leguanen kennelijk ook welkom in het water. Zwemmen heb ik hem niet zien doen, maar uitgesloten acht ik het niet. Niet alles aan deze kust is idylle. Op sommige plekken langs het strand staan nog altijd de stille getuigen van orkaan Irma uit 2017: verlaten resorts, ingestorte daken, lege vensters waar ooit een bar zat. De palmen zwiepen er weer vrolijk boven, maar de gebouwen weten beter.

Foto: Kees Bikker

Grand Case en Marigot

Wie op de Franse kant trek krijgt, hoeft niet lang te zoeken. Grand Case geldt als de culinaire hoofdstad van het eiland, en dat ruik je al voordat je het ziet. Aan de boulevard spot je al snel de witte tafellakens van de Franse restaurants, maar het hart van de zaak ligt aan het einde van het strand, bij de lolo’s: open grills waar de rook van de houtskool ’s avonds de hele straat in trekt. Hier draait het niet om sterren maar om ribbetjes, kip, verse vis en kreeft, op een papieren bord aan een houten tafel, met een ijskoud lokaal biertje erbij. Tussen de kleurige huizen voert een muurschildering een gesprek in dialect: Where you be? I from here! Ik sluit af in Marigot, de hoofdstad van de Franse kant, met een laatste klim naar Fort Louis voor het uitzicht over de baai, de jachten en de markt beneden. Hier vind je de boulangers met hun knapperige baguettes en waar je je met Engels én Frans verstaanbaar maakt — al kom je met je beste schoolfrans niet altijd even ver. Maar dat hoort bij de charme. Wat heb ik in 48 uur geleerd? Dat Sint Maarten zich niet in één zin laat vangen. Het zijn eigenlijk twee landen, twee tempo’s, twee smaken, gescheiden door een lijn die je nauwelijks ziet maar wel degelijk proeft. De Nederlandse kant is luidruchtig, Amerikaans en makkelijk; de Franse kant rustiger, meer bijgehouden en net even verder van de gebaande paden. Het mooie is dat je beide op één tankbeurt doet. Mijn voorkeur? Ik hou het voorlopig op die lege baai achter de jungle, met de cactussen als enige getuigen. Maar vraag het me morgen opnieuw, dan zit ik misschien alweer bij die distilleerderij. Voor de rum, uiteraard. Puur educatief.

Tekst en beeld: Kees Bikker

Deel dit blog ↓

Gerelateerde reisblogs

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar boven